078. Bijbelstudie over de
TIENDEN
- MA’AS’ROT
tvr>im
De primaire taak van de hlyhq Q’hila
[gemeente] is de geestelijke verzorging van alle
mensen, dus de verkondiging van de Tora en het Evangelie, en daarnaast
de pastorale zorg voor haar leden, alsook de dienstverlening aan en
ondersteuning van sociaal zwakkeren, met inachtneming van alle financiële
consequenties ervan. Het lidmaatschap van de Kehille [Jiddisch voor
gemeente] houdt derhalve ook een financiële verantwoordelijkheid in, want het
geld voor de ondersteunende taken, alsook voor onderhoud en instandhouding van
de gemeente moet wel ergens vandaan komen. Elke vereniging stelt immers een
contributie vast en iedere stichting kent naast subsidies ook vaste bijdragen
van haar sympathisanten. De inkomsten van de christelijke kerken en
Messiasbelijdende Joodse gemeenten dienen daarentegen gebaseerd te zijn op vrijwillige giften en kerkelijke
bijdragen. Dat wil zeggen, dat een ieder bijdraagt hetgeen hij of zij op het
hart heeft. Dat is echter alleen mogelijk indien er sprake is van wedergeboren
gelovigen, dus mensen die hun hart echt aan de Eeuwige hebben gegeven en zich
bewust zijn van hun financiële verantwoording ten opzichte van Hem en de
gemeente. Omdat dit in het praktijk helaas vaak niet het geval blijkt te zijn,
is de kerkelijke bijdrage meestal niet zo vrijblijvend. In traditionele kerken
wordt de hoogte ervan derhalve naar draagkracht geregeld, maar is er sprake van
een minimumbijdrage. Als richtlijn wordt 2% van het besteedbare inkomen
genoemd. Evangelische gemeenten gaan uit van 10% van het besteedbare inkomen.
Maar er zijn ook gemeenten waar men echt onder druk gezet wordt om zelfs een tiende van het bruto-inkomen te betalen! Men gaat daarbij bovendien zo ver om de
loonstrookjes van de gemeenteleden te controleren, wat uiteraard irritaties en
ongenoegen met zich mee brengt. Van “blijmoedige gevers” kan derhalve geen
sprake meer zijn! Zo zijn er twee uitersten: enerzijds neemt vooral in
traditionele kerken het aantal mensen toe, die geen of zo goed als geen
kerkelijke bijdrage betalen, wat als een groot probleem wordt ervaren omdat er
als gevolg daarvan inmiddels talrijke kerkgebouwen verkocht moeten worden omdat
er geen geld meer is om ze te onderhouden en tevens moeten sommige kerken
fuseren omdat er geen geld is om de dominee te betalen. Het niet of onvoldoende
betalen van kerkelijke bijdragen zou vooral een mentaliteitsprobleem zijn wordt
gezegd, maar in feite is het een geloofsprobleem. Als men niet verlicht is met
de Heilige Geest, stelt men uiteraard andere prioriteiten en wordt het geld aan
verre vakanties, grote huizen, luxe badkamers, dure auto’s enz. besteed, en als er dan nog wat overblijft, dàn is
het voor de kerk, als..., wat meestal
niet het geval is! Daarom wordt op de overige gemeenteleden, die wél trouw hun
kerkbijdrage betalen, dikwijls een beroep gedaan om die te verhogen! Men neemt
hiervoor de tiende als maatstaf. Voor dit principe van het “tienden geven”
beroept men zich op de gedachte: “als G’d het in het Oude Testament oplegde als
een gebod, dan moet het voor ons nú ook een veilige richtlijn zijn, dan kan 10%
van mijn inkomen om weg te geven nú niet onverantwoord veel zijn”. Zo probeert
de éne kerk heel voorzichtig het betalen van de tiende te stimuleren en te
relateren aan de draagkracht en de omstandigheden van de leden, terwijl men in
een andere kerk behoorlijk onder druk
gezet wordt om de tiende te betalen. Er blijven dan genoeg vragen over:
1. Als je
het niet gewend bent, moet je dan zomaar ineens van bijvoorbeeld 2% naar 10% springen?
2. En als
je nu niet kan uitkomen van die overige 90%?
3. Moet je
echt alles aan de gemeente geven of horen giften aan liefdadige instellingen
ook bij de tiende?
4. Hoeveel
zou je dan moeten geven aan de gemeente en de zending, en hoeveel voor andere
belangrijke doelen?
5. Hoe
weet je dat het geld goed terechtkomt? Wie garandeert je dat het niet belegd
wordt?
6. Hoe zit
het met belastingaftrek van giften?
7. Waar
staat het in de Bijbel, dat wij als nieuwtestamentische gelovigen de tienden
aan de gemeente moeten betalen?
U ziet het: reden genoeg om G’ds Woord over dit onderwerp nauwkeurig te onderzoeken. Vandaar deze Bijbelstudie!
Het getal tien, in het
Hebreeuws r>i eser en in
het Grieks deka deka, waarmee de reeks van de
grondgetallen sluit, drukt het denkbeeld van de volledigheid, van het geheel,
uit. Evenals bij bijna alle volken in de oudheid werden ook door de Israëlieten
de tienden van alle goederen afgestaan ten behoeve van de G’dsverering. Men
wilde daarmee te kennen geven, dat alle eigendom G’d behoorde, en zocht men
door het afstaan van de tiende het bezit en het genot van het overige te heiligen.
Hoewel de tienden het best bekend zijn uit de Tora,
treft men ze in de geschiedenis ook wel aan op niet-joods terrein: de Atheners
lieten bijvoorbeeld een oproep uitgaan aan alle Grieken om de godinnen in Eleusius de tiende te betalen, en bij een altaar op
de Romeinse rundermarkt beloofden kooplieden voordat ze een zakenreis gingen
doen aan Hercules het tiende van hun winst. De
concilies van de rooms-katholieke kerk hebben de gelovigen de verplichting
opgelegd, tienden te geven aan de kerk. De tienden kwamen toe aan de
plaatselijke kerken van de parochie, maar later zijn op allerlei wijzen tienden
in handen gekomen van wereldse personen. Zo werd de “tiende penning” het meest
omstreden onderdeel van het nieuwe belastingstelsel, dat hertog Alva in de Nederlanden
wilde invoeren. Hij liet op 21 maart 1569 de vergadering van de Staten-Generaal
te Brussel bijeenroepen, om dit bekend te maken. De tiende penning werd
uiteindelijk de hoofdoorzaak voor de opstand die uitmondde tot de tachtigjarige
oorlog. Maar ook na 1795 is in Nederland het tiendrecht blijven bestaan en pas
bij wet van 16 juli 1907 en met ingang van 1 januari 1909 afgeschaft. Maar dat
is allemaal iets heel anders dan wat de Bijbel ons over het geven van de
tienden zegt!
De tienden zijn van de Eeuwige
In principe is de tiende
helemaal niet voor de gemeente bedoeld, maar voor de Eeuwige, de G’d van
Israël, zelf! Dat blijkt heel duidelijk uit ty>arb B’reshit [Genesis] 28:22, waarin Ya’aqov
[Jakob] plechtig de beloofde: “En deze steen, die ik tot een opgerichte steen gesteld heb,
zal een huis G’ds wezen, en van alles wat Gij mij schenken zult, zal ik U stipt
de tienden geven.” - Ya’aqov had geen priesters
aan wie hij het tiende deel van zijn eigendom kon geven en er waren nog geen
gemeenten of instellingen van g’dsdienstige strekking, die hij met zijn tienden
kon verblijden. Maar toch wist Ya’aqov, dat G’d geëerd moest worden door de tienden van zijn bezittingen
aan Hem te offeren. Als wij meer dan gewone zegeningen van de Eeuwige ontvangen,
dan moeten wij er ons op toeleggen om een bijzonder bewijs te geven van onze
dankbaarheid jegens Hem! Tienden, die de volledigheid, het geheel, symboliseren,
zijn een zeer voegzaam deel om aan G’d te wijden en voor Hem te gebruiken. Wat
wij hebben, is immers het onze niet, tenzij G’d ervan heeft, wat Hem toekomt.
Een prachtig voorbeeld voor deze houding kunnen wij in het Talmud-traktaat ]ylvx Chulin 7b lezen: “Toen de rabbi bij een herberg kwam, gaf men gerst
aan zijn ezel, maar hij vrat het niet. Het werd gezeefd, maar het vrat het
niet. Het werd uitgelezen, maar hij vrat het niet. Opeens zei de rabbi tegen hun: Misschien is de gerst niet vertiend? Daarop vertienden zij de
gerst, en toen vrat de ezel! Hij zei: Het arme beest loopt, om de wil van zijn
Verlosser te vervullen, en jullie geven aan hem iets te vreten, waarvan de
tiende nog niet afgedragen was!” - Het lieflijke
van al onze bezittingen kunnen wij eerst dan genieten, als de Eeuwige er uit
ontvangen heeft, wat Hem toekomt, dan, en niet anders, zijn ons alle dingen
rein.
Mal’ki-Tzedeq
Voor de allereerste keer komen
wij het geven van tienden in de Bijbel tegen in het wonderlijke verslag van de
ontmoeting van ,rba Av’ram [Abram] met qdj=yklm Mal’ki-Tzedeq [Melchisedek], waar ik in een aparte bijbelstudie t.z.t.
nog nader op in zal gaan: “En Mal’ki-Tzedeq, de koning van Shalem [Salem], bracht brood en wijn; hij nu was een priester van
G’d, de Allerhoogste. En hij zegende hem en zeide: Gezegend zij Av’ram door G’d, de
Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde, en geprezen zij G’d, de
Allerhoogste, die uw vijanden in uw macht heeft overgeleverd. En hij gaf hem
van alles de tienden.” (ty>arb B’reshit [Genesis] 14:18-20). In
tegenstelling tot Ya’aqov had Av’ram hier wél een priester, aan wie hij zijn
tienden kon geven, maar was deze priester wel een mens van vlees en bloed? Was
hij wel een priester zoals de andere priesters die later in de Bijbel worden
genoemd? Waarom heeft Av’ram zich niet bij
diens gemeente aangesloten? Tegenwoordig betaal je de tiende immers toch pas
als je lid bent van de gemeente, of niet soms? Antwoord op deze vragen vinden
wij in de Hebreeënbrief: “Want deze Mal’ki-Tzedeq, koning van Shalem, priester van de allerhoogste G’d, die Av’raham bij zijn terugkeer
na het verslaan van de koningen tegemoet kwam en hem zegende, aan wie ook Av’raham een tiende van
alles gegeven heeft, is vooreerst, volgens de uitlegging van zijn naam: qdj ;lm Melech Tzedeq [Koning der gerechtigheid],
vervolgens ook: ,l> ;lm Melech Shalem [Koning van Salem], dat is: ,vl>h ;lM Melech haShalom [Koning des vredes]; zonder vader, zonder moeder, zonder
geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde des levens, en, aan ,yhlah=]b Ben-haElohim [de Zoon van G’d] gelijkgesteld,
blijft hij priester voor altoos. Merkt dan op, hoe groot deze is, aan wie de
aartsvader Av’raham een tiende gegeven heeft van het beste van de buit. Nu hebben zij, die uit
de zonen van Levi het priesterambt verkrijgen, volgens de wet wel de opdracht tienden te
heffen van het volk, dat is, van hun broeders, hoewel dezen uit de lendenen van
Av’raham zijn voortgekomen; maar hij, die zich
niet tot hun geslacht kon rekenen, heeft van Av’raham tienden genomen en een zegen gegeven aan de drager der beloften. Nu is het
onwedersprekelijk, dat het mindere door het meerdere wordt gezegend. En hier
ontvangen sterfelijke mensen tienden, doch daar iemand, van wie wordt getuigd,
dat hij leeft. Ja, om zo te zeggen, is zelfs Levi, die tienden heft, door Av’raham aan het tiendrecht van een ander onderworpen, want hij was nog in de lendenen van zijn vader, toen Mal’ki-Tzedeq deze tegemoet
kwam.” (,yrbi Iv’rim [Hebreeën] 7:1-10). Av’raham gaf hem van alles de tienden (vers 3). Dat
deed Av’raham als uitdrukking van zijn dankbaarheid
voor hetgeen Mal’ki-Tzedeq hem gedaan
had; als een bewijs van zijn hulde en van zijn onderwerping aan hem als koning;
of als een offerande, gewijd en opgedragen aan G’d, om door zijn priester
aangeboden te worden. En zo zijn wij verschuldigd alle mogelijke bewijzen van
oprechte liefde en dankbaarheid aan Yeshua Adoneinu te geven, voor al de rijke en koninklijke gunsten, die wij van Hem
ontvangen; Hem onze hulde en onderwerping te brengen, als onze Koning, en al
onze offeranden in Zijn handen te stellen, opdat ze door Hem aan Zijn Vader
gebracht mogen worden in het reukwerk van Zijn eigen offerande. Mal’ki-Tzedeq droeg de beeltenis van haShem [G’d] in zijn g’dsvrucht en gezag; hij stond
boven allen als een onsterfelijke priester, hij is het oude type van de
eeuwige, eniggeboren Zoon des Vaders, die priester blijft in eeuwigheid. Laat
ons nu de raad van de apostel opvolgen en overwegen hoe groot Mal’ki-Tzedeq was, en hoe ver zijn priesterschap stond
boven dat van de ordening van Aharon [Aäron]. De
grootheid van deze koning en van zijn priesterschap blijkt daaruit dat Av’raham aan hem tienden gegeven heeft en wel
beschouwd betekent dit, dat Levi in Av’raham tienden geeft aan Mal’ki-Tzedeq (vers 9). Levi ontving de
bediening van het priesterschap van G’d en moest tienden nemen van het volk (ik
kom daar later nog op terug); en toch brengt Levi zelf tienden aan Mal’ki-Tzedeq als aan een grotere en hogere priester dan hijzelf is; en daarom moest die
Hogepriester, welke daarna zou verschijnen, voortreffelijker zijn dan één van
de levitische priesters, die in Av’raham aan Mal’ki-Tzedeq tienden
brachten. Mal’ki-Tzedeq zegende Av’raham, want het is een onweerlegbare regel: de
mindere wordt gezegend door de meerdere (vers 7). Hij, die de zegen geeft, is
meer dan hij, die hem ontvangt; en daarom is Yeshua het type van Mal’ki-Tzedeq, de
Verwerver en Middelaar van alle zege-ningen voor de kinderen der mensen, groter
dan al de priesters naar de ordening van Aharon [Aäron]. Aan Yeshua haMashiach, onze grote Mal’ki-Tzedeq, moet hulde
bewezen worden; door een ieder van ons moet Hij nederig erkend worden als onze
Koning en Priester, en niet slechts van alles de tiende maar alles wat wij hebben,
moet Hem overgegeven worden! Maar ook daar kom ik later nog op terug. Hoe dan
ook, in beide gevallen, zowel bij Ya’aqov alsook bij Av’raham had het geven van
de tienden geen betrekking op de gemeente, maar op de Eeuwige zelf!
Hypocriet omgaan met de tienden
Op mijn speurtocht door h>dxh=tyrb B’rit haChadasha [het
Nieuwe Testament] op zoek naar aanwijzingen, dat het afdragen van de tienden
aan de gemeente ook voor nieuwtestamentische gelovigen van toepassing zou zijn,
zoals sommige kerken beweren, kwam ik eigenlijk behalve het bovenstaande uit de
Hebreeënbrief maar drie teksten tegen, waarin de tienden (zijdelings) worden
genoemd. Zo lezen wij in vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 23:23 de bekende terechtwijzende woorden van Yeshua: “Wee u, Sof’rim
[schriftgeleerden] en P’rushim [Farizeeën], gij huichelaars, want gij geeft tienden van
de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet
verwaarloosd: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw. Dit moest men doen
en het andere niet nalaten.” Deze berisping
wordt in Lucas 11:42 nog een keer herhaald: “Maar
wee u, P’rushim [Farizeeën], want gij geeft
tienden van de munt en de ruit en van alle kruiden, en gij gaat voorbij aan het
oordeel en de liefde G’ds. Dit moest men doen en het andere niet nalaten.” - Om te
beginnen moet ik er nadrukkelijk op wijzen, dat Yeshua het hier niet tegen christenen heeft, en ook niet tegen
Messiasbelijdende Joden, maar tegen orthodoxe Joden! De hier genoemde tienden
hebben dan ook geen betrekking op christelijke kerken! Maar één ding stelt Yeshua hier wel duidelijk
aan de kaak: het hypocriet omgaan met de tienden! De Farizeeën waren streng en
stipt in de kleine bijzonderheden van de wet, maar onverschillig omtrent de
gewichtiger zaken. Zij kozen zich de plichten uit, die met hun belangen
strookten. De oprechte gehoorzaamheid is algemeen en betoont zich in alles. Wie
oprecht aan de wet van G’d gehoorzaamt, let op al Zijn geboden, zoals o.a. in
Psalm 119:1-8 geschreven staat: “Welzalig
zij, die onberispelijk van wandel zijn, die in de Tora van Adonai wet des Heren] gaan. Welzalig zij, die Zijn getuigenissen bewaren,
die Hem van ganser harte zoeken; die ook geen onrecht plegen, maar wandelen in
zijn wegen. Gij hebt Uw bevelen geboden, opdat men die ijverig onderhoude. Och,
dat mijn wegen vast waren om Uw inzettingen te onderhouden. Dan zou ik niet
beschaamd staan, als ik op al uw geboden zie. Ik zal U loven in oprechtheid des
harten, wanneer ik Uw rechtvaardige verordeningen leer. Uw inzettingen zal ik
onderhouden; verlaat mij niet geheel en al.” Of men
leeft volgens de wet, of men doet het niet, maar men moet er wel consequent in
zijn, en dat waren de genoemde Farizeeën duidelijk niet! Zij hielden zich aan
de kleinere plichten, maar lieten de grotere na. Zij waren zeer stipt in het
betalen van tienden, zolang het de munt, en de dille en de komijn gold. Hun
nauwkeurigheid in het vertienen daarvan kostte hun niet veel, maar het werd
hoog geroemd, en bezorgde hun heel goedkoop een roep van vroomheid. Wie kent
niet de bekende zelfroem in het verhaal van de Farizeeër en de tollenaar: “Ik geef tienden van alles wat ik bezit!”
(Lucas 18:12). Het betalen van tienden was hun plicht, en werd door de wet geëist.
Yeshua zegt hun, dat zij dit niet moeten
nalaten. Iedereen behoort immers bij te dragen tot de instandhouding van de
eredienst! Tienden terug te houden noemt de Bijbel G’d te beroven (ykalm Mal’achi [Maleachi]
3:8-10). Maar waar Yeshua hen om
veroordeelt is, dat zij de belangrijkste geboden van de wet nalieten, namelijk
het oordeel, de barmhartig-heid en het geloof; en hun nauwkeurigheid slechts in
het betalen van tienden was. Al de dingen van G’ds wet zijn belangrijk, maar
die zijn het gewichtigst, die het meest een blijk zijn van de innerlijke
heiligheid van het hart; de voorbeelden van zelfverloochening, van minachting
voor de wereld, en onderworpenheid aan de Eeuwige, waarin het leven van de
G’dsdienst is gelegen. Barmhartigheid jegens de mensen en geloof in G’d zijn de
belangrijkste onderdelen van de Tora. Rechtvaardig te
zijn voor de priesters in hun tienden te geven, en ieder ander te bedriegen en
te benadelen, dat is spotten met G’d en onszelf misleiden. De liefdadigheid
wordt ook boven het offer gesteld (i>vh Hoshea [Hosea] 6:6). Hen te voeden, die zich mesten
met het voornaamste van de offeranden des Heren, en tegelijk de ingewanden der
barmhartigheid toe te sluiten voor een broeder of zuster, die naakt is, gebrek
heeft aan het dagelijkse voedsel; aan de priester de tienden te betalen en een
stukje brood te weigeren aan Lazarus, is blootgesteld te zijn aan het oordeel
zonder barmhartigheid! Het is voor ons Messiasbelijdende Joden en christenen
een groot gevaar als we er naast G’ds Woord nog een aangepaste Bijbel op na
houden. Onze eigen ideeën en zo. Nauwgezette wetbetrachting is binnen het
Jodendom zeker niet af te keuren. Integendeel, Yeshua bekritiseerde het geven van tienden op zichzelf niet. Hij had wèl kritiek
op de overdreven stiptheid in kleine dingen, terwijl het belangrijkste van de
wet, het liefhebben van de medemensen met rechtvaardigheid, barmhartigheid en
trouw, verwaarloosd werd. Ik zei het reeds eerder: Wat wij hebben is het onze
niet, tenzij G’d ervan heeft gekregen wat Hem toekomt, en het is door
vrijgevigheid aan de armen, dat wij de vrijheid kunnen hebben om van onze
tijdelijke zegeningen te genieten. Neen, Yeshua veroordeelde de P’rushim beslist
niet om die nauwgezetheid in het betalen van de tienden, want dit werd door de
wet geëist! Hij veroordeelde hen omdat zij wat betreft de tienden nogal
hypocriet omgingen met de wet. Zij betaalden wel de tienden, maar hielden zich
niet even nauwkeurig aan de rest van de wet. Eigenlijk is het met sommige
kerken net andersom: men wil wél de tienden hebben, maar niet de Shabat, om maar iets te noemen! Het is mijns
inziens net zo hypocriet om enerzijds steeds maar te blijven hameren op het
feit, dat wij vrij zijn van de wet en elke poging om o.a. de Shabat en de Bijbelse feestdagen in ere te
herstellen, als wettisch te bestempelen, maar aan de andere kant wél tienden
van de gemeenteleden te willen opeisen! Ironisch genoeg moet men zich daarvoor
juist beroepen op dezelfde wet die men in ander verband niet meer van
toepassing acht, want buiten de wet om komt men de tienden in de Bijbel nergens
tegen! Zo gaan sommige kerken wel erg selectief om met de wet! Yeshua keurde deze houding bij de Farizeeën af. Hij
zei: “Dit moest men doen en het andere niet nalaten.” In het Nederlands is er
een gezegde: “Als je A zegt, moet je ook B zeggen!” - Iets om over na te denken...
Eerste en tweede tienden
Gezien het feit, dat de weinige
teksten in het Nieuwe Testament, die betrekking hebben op het geven van de
tienden, uitsluitend wijzen op de strikte naleving van de inzettingen uit de Tora, zullen wij deze dus nader onder de loep moeten
nemen om te kijken wat we ermee kunnen doen. In tegenstelling tot h>dxh=tyrb B’rit haChadasha [het
Nieuwe Testament] staan er in ;’’nt TeNaCH [het z.g. Oude Testament]
zovéél teksten over dit onderwerp dat het voor mij binnen het kader van deze
Bijbelstudie onmogelijk is om allemaal op te noemen, laat staan te behandelen.
Om veelvuldige herhaling te voorkomen moet ik derhalve een keuze maken uit het
beschikbare materiaal. Om te kunnen begrijpen welke positie het geven van
tienden binnen de context van de Tora inneemt,
moeten we ons eerst realiseren, waar de wet zelf toe dient. Yeshua heeft alle 613 geboden inclusief die van de
tienden samengevat in twee: “Gij zult de Eeuwige, uw G’d, liefhebben met geheel uw hart
en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste
gebod. Het
tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult
uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de
profeten.” (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 22:37-39). Onze liefde tot haShem moet een oprechte liefde zijn, en niet slechts bestaan in het woord en met
de tong. Dit is het eerste en het grote gebod, want gehoorzaamheid hieraan is
de bron der gehoorzaamheid aan alle overige geboden. Onze naaste lief te hebben
als onszelf is het tweede grote gebod. Het is aan het eerste gelijk, want het
is er op gegrond, en vloeit er uit voort; en een zuivere liefde voor onze
broeder, die wij gezien hebben, is zowel een voorbeeld als een bewijs van onze
liefde tot Adonai, die wij niet gezien hebben. In dit licht
moeten wij dus ook het geven van onze tienden zien. Daarom is er in de Tora ook geen sprake van r>im Ma’aser [dus tiende
in enkelvoud], maar tvr>im Ma’as’rot [tienden in meervoud]! Geheel in
overeenstemming met hetgeen Yeshua over de wet
gezegd had, waren er namelijk ook twee soorten tienden: ]v>ar r>im Ma’aser Rishon ofwel de Eerste Tiende ten behoeve van de dienst aan G’d, en yn> r>im Ma’aser Sheni ofwel de Tweede Tiende ten behoeve van de dienst aan de naaste. Deze twee
soorten tienden waren op hun beurt weer onderverdeeld in elk twee gedeelten:
]v>ar
r>im
Ma’aser Rishon [Eerste Tiende]:
1. De jaarlijkse tienden die de
Israëlieten moesten geven aan de Levieten.
2. De tienden, die de Levieten van
deze tienden moesten afdragen aan de priesters.
yn>
r>im
Ma’aser Sheni [Tweede Tiende]:
3. De jaarlijkse tienden die gebruikt
moesten worden voor buitengewone maaltijden opdat de Israëlieten met hun
huisgezinnen, dienstknechten, dienstmaagden en de Levieten moesten vrolijk zijn
voor de Eeuwige
4. De driejaarlijkse tienden voor de
armen, de weduwen, de wezen, de vreemdelingen en de Levieten.
Ik zal proberen, deze vier
onderdelen van de tiende één voor één in het kort nader toe te lichten.
Duidelijk blijkt in elk geval uit de Tora, dat
het oorspronkelijk altijd slechts om één en dezelfde tiende ging, evenals beide
door Yeshua genoemde geboden deel uitmaken van
één en dezelfde wet! Pas later, toen de rabbijnen begonnen de Tora uit te breiden met een netwerk van regels, die Yeshua herhaaldelijk afgekeurde, werden de tienden
uit rbdmb Bamid’bar
[Numeri] en ,yrbd D’varim [Deuteronomium] gecombineerd (zie ook: Josephus Flavius, Antiquitatum Judaicarum IV,
68vv; 205). Bovendien werden de tienden van de armen als toevoeging op de
tweede tienden geïnter-preteerd (Targum Jonatan Deut 26:12v; Josephus Flavius, Antiquitatum Judaicarum IV, 240).
Voor een uitgebreide beschrijving hiervan adviseer ik de Talmud te raadplegen. Een precieze opsomming evenals
een uitbreiding van de aan tienden onderworpen bodemopbrengst vindt u in de Mish’na Ma’as’rot en de Mish’na
Ma’aser Sheni. Ook in de Talmud-traktaten Chulin 7b en Yevamot
86b wordt aandacht besteed aan de tienden.
Tiende voor de Eeuwige
De Eeuwige gaf aan Zijn volk
Israël het land Kanaän als eeuwig erfdeel. Elke stam kreeg een gedeelte van het
land in bezit, behalve de Levieten. Voor hun had haShem iets anders: “Wat nu de
Levieten betreft, zie, Ik geef hun alle tienden in Israël als erfdeel, een
vergoeding voor de dienst die zij verrichten, de dienst van de tent der
samenkomst. De Israëlieten namelijk zullen niet meer tot de tent der samenkomst
naderen, zodat zij zonde op zich laden en sterven; de Levieten echter zullen de
dienst van de tent der samenkomst verrichten en zij zullen hun ongerechtigheid
dragen, een altoosdurende inzetting voor uw nageslacht, en in het midden der
Israëlieten zullen zij geen erfdeel verkrijgen; want aan de Levieten geef Ik
als erfdeel de tiende, die de Israëlieten de Eeuwige als heffing brengen;
daarom heb Ik van hen gezegd: In het midden der Israëlieten zullen zij geen
erfdeel verkrijgen. De Eeuwige nu sprak tot Moshe [Mozes]: Tot de Levieten zult gij spreken en tot hen
zeggen: Wanneer gij van de Israëlieten de tiende ontvangt, die Ik u van hen als
erfdeel geef, dan zult gij daarvan als een heffing voor de Eeuwige een tiende van de tiende brengen, en het zal voor u als
een heffing beschouwd worden, als ware het het koren van de dorsvloer en de
inhoud van de perskuip. Aldus zult ook gij van al de tienden die gij van de
Israëlieten ontvangt, een heffing voor de Eeuwige brengen en gij zult daarvan
de heffing voor de Eeuwige aan de priester Aharon
[Aäron] geven. Van alles wat u geschonken wordt, zult gij de gehele heffing
voor de Eeuwige brengen, van al het beste ervan, hetgeen daarvan geheiligd
wordt. En gij zult tot hen zeggen: Wanneer gij het beste daarvan als heffing brengt,
zal dat voor de Levieten beschouwd worden als de opbrengst van de dorsvloer en
van de perskuip; gij zult het met uw gezin op elke plaats mogen eten, want het
strekt u tot loon als vergoeding voor uw dienst aan de tent der samenkomst. Gij
zult ten aanzien daarvan geen zonde op u laden, indien gij maar het beste
daarvan als heffing brengt; zo zult gij de heilige gaven der Israëlieten niet
ontwijden, opdat gij niet sterft.” (rbdmb Bamid’bar
[Numeri] 18:21-32). Met deze woorden toont G’d, dat Hij, door de tienden aan de
Levieten te schenken, afstand doet van Zijn eigendomsrecht, omdat deze voor Hem
zijn als een soort van koninklijke belasting. In de verzen 26-29 lezen wij, dat
de Levieten op hun beurt het beste
deel van de tienden, die zij ontvangen hadden, moesten afstaan aan de
priesters. Dat wordt dan ook in hymxn Nechem’ya [Nehemia] 10:38 nog eens herhaald: “Een priester, een zoon van Aharon, zal de Levieten
vergezellen, wanneer de Levieten de tienden heffen, en de Levieten zullen een
tiende van de tienden brengen naar het huis van onze G’d, naar de vertrekken
van het voorraadhuis.” - Naast de tiende (r>im Ma’aser) moesten de
Israëlieten ook de eersteling (rvkb Bikur) en een heffing
ofwel offer (hmvrt T’ruma) aan de Levieten en de priesters geven voor
de dienst in de tempel. Omdat zij allen datgene zijn, wat van een groter geheel
voor de Eeuwige apart wordt gezet, is het verklaarbaar dat in de Torateksten deze drie begrippen in elkaar overgaan, al zijn zij nooit identiek.
In de Mish’na tvmvrt T’rumot hebben de
rabbijnen regels voor de heffingen gegeven. Het eerstelingenoffer heeft binnen het Jodendom een ontwikkeling in vele fasen
doorgemaakt (zie Mish’na-traktaat ,yrvkb Bikurim) en zo heeft x>dxh=tyrb B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] later dit begrip overgedragen op Yeshua.
Tiende voor de armen
Omdat het eerste grote gebod
zegt, dat wij G’d moeten liefhebben, is onze tiende op de eerste plaats ook
voor de dienst aan G’d bestemd en pas op de tweede plaats voor onze naaste.
Maar let op: volgens Yeshua is het tweede grote
gebod wél daaraan gelijk! Dat blijkt ook heel duidelijk uit de samenvatting van
al het bovenstaande, die wij in ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 14:22-29 tegenkomen: “Gij zult de
gehele opbrengst van het zaad dat uit uw akker voortkomt, stipt vertienen, jaar
op jaar. Gij zult voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, in de plaats die
Hij verkiezen zal om Zijn naam daar te doen wonen, eten de tiende van uw koren,
uw most en uw olie, en de eerstelingen van uw runderen en van uw kleinvee,
opdat gij de Eeuwige, uw G’d, uw leven lang leert vrezen. Wanneer de weg voor u
te lang zou zijn, zodat gij ze niet zoudt kunnen vervoeren, omdat de plaats die
de Eeuwige, uw G’d, verkiezen zal om dáár Zijn naam te vestigen, te ver van u
verwijderd is, wanneer de Eeuwige, uw G’d, u gezegend heeft, dan zult gij ze te
gelde maken en dat geld bij u steken en naar de plaats gaan, die de Eeuwige, uw
G’d, verkiezen zal, en gij zult dat geld besteden voor alles waarin gij lust
hebt, voor runderen of kleinvee, voor wijn of bedwelmende drank, of wat gij ook
wenst, en gij zult daar voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, eten en u
verheugen, gij met uw huisgezin; ook de Leviet, die binnen uw poorten woont,
zult gij aan zijn lot niet overlaten, want hij heeft geen bezit of erfdeel met
u. Na verloop van drie jaar zult gij alle tienden van uw opbrengst in dat jaar
brengen en in uw poorten neerleggen; dan zullen de Leviet, omdat hij bezit noch
erfdeel met u heeft, en de vreemdeling, de wees en de weduwe, die binnen uw
poorten wonen, komen en eten en zich verzadigen, opdat de Eeuwige, uw G’d, u
zegene in al het werk, dat uw hand doet.”
Een uitgebreidere versie hiervan staat in ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 12:1-28. Hier
lezen wij, dat de tienden niet alleen maar besteed werden voor het levensonderhoud
van priesters en levieten en voor de dienst met de vele offers, die zij in de
tempel verrichtten, maar ook om daarmee de buitengewone maaltijden te houden
tijdens de drie pelgrimsfeesten tvkvc Sukot [Loofhuttenfeest], xcp Pesach [Pascha] en tvivb> Shavuot [Wekenfeest]. Elke Israëliet was namelijk verplicht om
deze feesten in Jeruzalem te vieren. Dit aspect komt in ,yrbd D’varim 12:17-19
bijzonder duidelijk naar voren: “In uw woonplaatsen zult gij de tiende van uw koren niet
mogen eten, noch die van uw most en uw olie, noch de eerstelingen van uw
runderen en van uw kleinvee, noch iets van de gelofteoffers, die gij beloven
zult, noch uw vrijwillige offers, noch uw wijgeschenken. Maar voor het
aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, zult gij ze eten, op de plaats die de
Eeuwige, uw G’d, verkiezen zal (Jeruzalem), gij en uw zoon en uw dochter, uw
dienstknecht en uw dienstmaagd, en de Leviet, die binnen uw poorten woont, en
gij zult u verheugen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, over alles wat
gij ondernomen hebt. Neem u ervoor in acht, dat gij de Leviet niet aan zijn lot
overlaat, zolang gij in uw land woont.” -
In ,yrbd D’varim [Deuteronomium]
14:28-29 werd er wel summier gesproken over de tiende voor de armen, maar
hoofdstuk 26:12-15 gaat er wat dieper op in: “Wanneer gij in het derde jaar, het jaar der
tienden, gereed gekomen zult zijn met het afzonderen van alle tienden uit uw
opbrengst, dan zult gij ze geven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de
weduwe, opdat zij eten en zich verzadigen in uw steden. En gij zult voor het
aangezicht van de Eeuwige, uw G’d, zeggen: Ik heb het heilige uit het huis weggedaan;
ook heb ik dat gegeven aan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe,
geheel overeenkomstig het gebod, dat Gij mij gegeven hebt. Ik heb geen uwer
geboden overtreden of vergeten; in mijn rouw heb ik daarvan niet gegeten, noch
daarvan iets weggedaan, terwijl ik onrein was, noch iets daarvan aan een dode
gegeven; ik heb geluisterd naar de stem van de Eeuwige, mijn G’d, ik
heb gedaan naar alles wat Gij ons geboden hebt. Zie neder uit Uw heilige
woning, uit de hemel, en zegen Uw volk Israël en het land, dat Gij ons gegeven
hebt (zoals Gij onze vaderen onder ede beloofd hebt) een land, vloeiende van
melk en honig.” - De tienden moesten in het derde jaar thuis besteed worden
om de armen te onthalen. Omdat dit nu niet onder het oog der priesters
geschiedde, en er groot vertrouwen werd gesteld in het volk, dat zij er eerlijk
over zouden beschikken overeenkomstig de wet, voor de Leviet, de vreemdeling,
de wees en de weduwe, werd vereist dat zij, als zij bij het volgende feest voor
het aangezicht van G’d verschenen, zouden betuigen, als het ware onder ede, dat
zij trouw en eerlijk hun plicht hadden gedaan. Zij moesten een plechtige verklaring
hiervan afleggen dat ze van hun tiende niets stiekem achtergehouden hadden: “Ik
heb het heilige uit het huis weggenomen, er is niets anders in gebleven dan
hetgeen mijn deel is.” Voorts moesten zij plechtig verklaren dat de armen, in
het bijzonder arme leraren, arme vreemdelingen en arme weduwen, hun deel gehad
hebben gekregen overeenkomstig het gebod. Het is voegzaam dat de Eeuwige, die
door Zijn voorzienigheid ons alles geeft wat wij hebben, ons door Zijn Woord
zal besturen in het gebruik er van. Daarom moeten wij in deze ons hart laten
spreken ten opzichte van het gebruik van onze inkomsten, en zo is ons toch in
het algemeen geboden om een deel van onze rijkdom aan de behoeftigen te geven,
dan, en niet anders, zijn ons alle dingen rein. Van onze bezittingen kunnen wij
dan eerst genieten, als de Eeuwige er uit ontvangen heeft wat Hem toekomt en
wij ook onze naaste niet vergeten. Verder moesten zij verklaren, dat niets uit
deze tienden verkeerd werd aangewend. Zij moesten verklaren, dat zij er niet
van gegeten hebben in hun leed, wanneer zij door hun rouwbedrijf over de doden
gewoonlijk onrein waren; dus bij een maaltijd na een begrafenis, en ook niets
gegeven hebben aan een dode, wat een heidens gebruik was. Ook moesten zij
verklaren, dat zij het niet heiligschennend vervreemd hadden voor eigen
gebruik, want het was niet van hun. Dat zij nu verplicht waren aan het einde
der drie jaren deze plechtige verklaring af te leggen, bracht de verplichting
voor hen mede om getrouwelijk te handelen, wetende dat zij geroepen zullen
worden om zich aldus te zuiveren. Het is onze wijsheid om ten allen tijde ons
geweten rein te houden, opdat wij, als wij geroepen worden om rekenschap af te
leggen, ons aangezicht smetteloos kunnen opheffen (zie Job 11:15). In de Joodse
traditie wordt gezegd, dat zij deze verklaring van hun oprechtheid met zachte
stem moesten afleggen, omdat zij de schijn had van eigen lof te zijn, maar dat
de voorafgaande belijdenis van G’ds goedheid met luider stem moest uitgesproken
worden, tot Zijn eer en verheerlijking.
Waarom berooft gij Mij?
“Mag een mens G’d beroven? Toch berooft gij Mij. En dan
zegt gij: Waarin beroven wij U? In de tienden en de heffing! Met de vloek zijt
gij vervloekt, en Mij berooft gij, gij volk in zijn geheel! Breng de gehele
tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in Mijn huis; beproeft Mij
toch daarmede, zegt Adonai Tz’vaot [de Heer der heerscharen], of Ik dan
niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u
uitgieten.” (ykalm Mal’achi [Maleachi]
3:8-10). We lezen dat men als volk in gebreke bleef de tienden te geven die
toekwamen aan de priesters en de Levieten. Zo misten de dienstknechten van G’d
hun inkomsten. De Eeuwige nam dit hoog op en onthield het volk Zijn zegen. Misoogsten
waren het gevolg. Zij hadden hun Meester beroofd en Zijn goederen verduisterd.
Zij hadden ze nog het lef om te vragen: “Wat hebben wij verkeerd gedaan?"
G’d gaf antwoord door Zijn profeet. Zij werden beschuldigd van roof, van
heiligschennis, (Gij berooft Mij!). Met zou het niet voor mogelijk houden: Zal
een mens zo ontzettend onbeschaamd wezen, G’d te beroven? De mens, een zwak
schepsel, die met G’ds macht zich geenszins meten kan, denkt die erover, G’d te
beroven? De mens, die van G’d volledig afhankelijk is en alles van Hem moet
ontvangen zal zijn weldoener beroven? Dat is inderdaad ondankbaar,
onrechtvaardig, onheus; het is meer dan dwaas, Hem te tergen, die ons oordelen
zal! En toch gebeurde het, en het gebeurd nog steeds, want er zijn helaas nog
steeds talrijke gelovigen, die hun financiële verplichtingen tegenover de
gemeente en hun naasten niet nakomen. G’d te beroven is zulk een afschuwelijke
misdaad, dat degenen, die zich daaraan schuldig maken, onwillig zijn hun schuld
te erkennen. Men staat er gewoon niet bij stil! Zij beroven G’d en weten niet
wat zij doen. Zij beroven Hem van Zijn eer, beroven Hem van wat Hem gewijd is,
dat in Zijn dienst zou gebruikt worden, beroven Hem van henzelf, omdat zij zich
niet helemaal aan Hem hebben gegeven, beroven Hem van Zijn Shabat, beroven Hem van wat voor de instandhouding
van Zijn eredienst gegeven is, beroven Hem van wat zij Hem schuldig zijn. En
toch vragen zij nog: “Waarin beroven wij
U?” Wat G’d op hun verontschuldigende vraag antwoordt: “In de tienden en het hefoffer.” Daarin vonden de priesters en
Levieten hun bestaan voor zichzelf en hun gezinnen. Maar die onthielden zij
hun; zij bedrogen de priesters, wilden de tienden niet of niet geheel betalen
brachten het beste niet. Zij gaven niet de offers, die de Eeuwige eiste, zij
namen daarvoor het kreupele het lamme, het bedorvene, wat voor het gebruik
ongeschikt was. Zij waren aan deze zonde allen schuldig, het hele volk, alsof
zij samenspanden tegen de Eeuwige, om Hem van het Zijne te beroven en elkander
daarbij te steunen. Hierom werden zij met een vloek vervloekt! G’d strafte hen
met hongersnood en schaarste, door ongunstig weer of insecten, die de vruchten
des lands opaten. Dit moet voor ons een les zijn. Degenen, die Adonai het Zijne uit hun goederen onthouden kunnen terecht op een vloek in die
goederen rekenen: “Met een vloek zijt gij
vervloekt, omdat gij Mij beroofd hebt en daarmede voortgaat.” Een ernstige
waarschuwing om zich hiervan te bekeren, met de belofte, dat, zo ze zulks
deden, het oordeel spoedig zou weggenomen worden. G’d wil de zondaars, die zich
bekeren, niet alleen verzoenen, maar ook hun Weldoener zijn. De Eeuwige heeft
overvloedig zegeningen voor ons in voorraad, maar door de zwakheid van ons
geloof en de geringheid onzer begeerten, ontvangen wij zo weinig. De
Israëlieten bekeerden zich inderdaad van deze zonde en heel Juda en Israël
bracht de tienden naar de tempel. En de zegen der belofte is niet uitgebleven
in terugkeer van de overvloed, onmiddellijk na terugkeer tot hun plicht. Nu konden
ze duidelijk onderscheiden, dat ze met G’d verzoend waren. De vloek was niet
alleen weggenomen, maar in een zegen veranderd! Dit moet ook voor ons gelden!
De Israëlieten brachten de tienden naar de tempel. Als wij ervoor hebben
gekozen om ons hart een tempel te laten zijn waarin Yeshua kan wonen dan betalen wij naar vermogen en streven naar de tiende, niet
voor de gemeente alleen, maar ook of beter gezegd vooral voor de naaste!
De eerste gemeente
Hoe ging de eerste gemeente van
Yeshua met de tienden om? Zoals ik reeds eerder
zei, kwam ik de tienden bijna nergens tegen in het Nieuwe Testament, behalve
bij de Farizeeën en met betrekking op het hogepriesterschap in de
Hebreeënbrief. Of was het geven van tienden, dat onderdeel uitmaakt van de wet,
soms niet meer van toepassing op de nieuwtestamentische gemeente? Wij kijken
even wat in tvlipm Mif’alot [Handelingen] 2:41-47 staat over het leven der eerste gemeente: “Zij dan, die zijn
woord aanvaardden, lieten zich onderdompelen en op die dag werden ongeveer
drieduizend zielen toegevoegd. En zij bleven volharden bij het onderwijs der
apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. En er kwam
vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.
En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles
gemeenschappelijk; en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten
en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden; en voortdurend waren
zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten
hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden G’d en
stonden in de gunst bij het gehele volk. En de Eeuwige voegde dagelijks toe aan
de kring, die behouden werden.” In
hoofdstuk 4:32-34 staat verder: “En de
menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was één van hart en ziel, en
ook niet een zeide, dat iets van hetgeen hij bezat zijn persoonlijk eigendom
was, doch zij hadden alles gemeenschappelijk. En met grote kracht gaven de apostelen hun getuigenis van de opstanding
van Yeshua
haAdon, en er was grote genade over hen allen.
Want er was ook niet één behoeftig onder hen.” - Dat de eerste Messiasbelijdende Joden alles met
elkaar deelden, wil niet zeggen dat ze daarnaast de tienden niet meer betaalden.
Ze leefden immers naar de woorden van Yeshua: “Geeft dan de keizer wat des keizers is en
G’de wat G’ds is.” (vhyttm Matit’yahu [Matthéüs] 22:21). Bovendien bestond de eerste gemeente
voornamelijk uit toragetrouwe Joden: “Gij ziet, broeder, hoevele duizenden
er onder de Joden gelovig zijn geworden en allen zijn zij ijveraars voor de
wet.” (tvlipm Mif’alot [Handelingen] 21:20). Natuurlijk betaalden zij de
tienden, want zoals wij net lazen, waren zij in de omgang met de wet niet zo hypocriet
als de door Yeshua terechtgewezen Farizeeën. We
lezen juist dat ze elke dag naar de tempel gingen, dus zullen ze daar ook hun
financiële verplichtingen zijn nagekomen. De tempel is er niet meer, maar G’d
is er nog wel en Hij zal er altijd zijn, evenals er ook altijd armen zullen
zijn. Bij de besteding van onze tienden moeten wij derhalve een verdeelsleutel
hanteren, waarbij wij ons hart laten spreken! Enerzijds mogen wij ons beslist
niet aan onze financiële verantwoordelijkheid ten aanzien van de gemeente
waartoe wij behoren, onttrekken. De gemeente maakt onkosten en die moeten
worden betaald. Maar daarnaast moeten wij met onze tienden ook denken aan onze
naasten in nood! Dat wij hier in Nederland goede sociale voorzieningen hebben
doet daaraan niets af. Ook hier zijn er daklozen en sociaal zwakkeren, ook hier
zijn er zieken die méér zorg nodig hebben dan door de overheid vergoed wordt.
Maar wij moeten ook verder kijken dan onze landsgrenzen! Niet voor niets zijn
er talrijke liefdadigheidsorganisaties, waarvan u regelmatig accept-girokaarten
in de brievenbus krijgt. In het geven van tienden moeten wij dus de juiste
balans vinden. Wij moeten er in elk geval niet te krampachtig mee omgaan. Ik
zeg niet, dat de verdeelsleutel nu per sé fifty-fifty moet zijn. Het zou wel mooi
zijn, maar dat hangt van iedereen persoonlijk af. Ik zei het al: laat uw hart
spreken en breng het in gebed. Het zou best kunnen, dat de één het op zijn hart
heeft om de héle tiende aan de gemeente te geven en af en toe wel eens ergens
een gift overmaakt. Een ander geeft misschien 2% aan de gemeente en doet met de
rest goed werk, bijvoorbeeld via het Foster Parents Plan of het Koningin
Wilhelmina Fonds. Maar het zou ook kunnen, dat iemand zegt: “Allemaal mooie
woorden, maar wat doe jij zélf?” - Mijn antwoord is: mijn vrouw en ik zijn er
in de loop der jaren steeds bewuster mee omgegaan. Soms zijn er jaren geweest
dat we die 10% niet elke maand helemaal gehaald hebben, maar er waren ook jaren
dat we er zelfs bovenuit kwamen. Tegenwoordig houden we voor zover mogelijk de
richtlijn van 10% naar boven toe aan, met als verdeelsleutel uiteraard
bijdragen voor onze eigen Beit Midrash Groep en
giften voor een sjoel die we af te toe bezoeken en diverse Messiaanse
organisaties. Daarnaast vaste giften voor behoeftigen en goede doelen zoals Magen David Adom en de gaarkeukens in Israël en de
rest voor uiteenlopende projecten in het kader van de verkondiging en
naastenliefde. Wij hebben er vreugde aan leren beleven en in ons eigen leven
mogen ervaren, dat het zaliger is te geven, dan te ontvangen (Handelingen
20:35).